Rosa Groen
docent, onderzoeker, journalist
Recente Tweets
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Laatste artikelen

In NEMO Kennislink is een verhaaltje over mijn onderzoek geschreven. Als buitenpromovendus werd ik uitgelicht. Het is verdiepend om twee banen met elkaar te combineren. Lees het hier: https://t.co/OnId1ZSKFZ

(of hieronder).


Uitgelicht: De buitenpromovendus

Door: Marij Swinkels (UU, USBO)

In de bestuurskunde werk ik niet alleen. Er zijn heel veel vakcollega’s die naar een heleboel verschillende onderwerpen onderzoek doen. Een daarvan is Rosa Groen, docent aan De Haagse Hogeschool en buitenpromovendus aan de Universiteit Leiden. Zij doet onderzoek naar hoe Internationale Organisaties worden aangetrokken door steden.

Via de Twitter van Faces of Science kwam ik in contact met Rosa Groen. Rosa is een buitenpromovendus en doet onderzoek naar hoe steden in Europa Internationale Organisaties zoals het Internationaal Strafhof (in Den Haag) of het Arms Trade Treaty Secretariaat (in Genève) aantrekken. En het leek me een mooi moment om eens een andere promovendus en wat ander bestuurskundig onderzoek onder de aandacht te brengen.

Rosa
Rosa Groen
 Rosa Groen voor NEMO Kennislink

M: Ha Rosa, wat leuk je te ontmoeten! Waar gaat je onderzoek over? Hoe doe je jouw onderzoek?

R: Het gaat over Internationale Organisaties (IOs) en hoe deze worden aangetrokken door steden. De steden die ik onderzoek zijn Den Haag, Genève, Wenen en Kopenhagen. Het gaat over hoe zij de IOs aantrekken maar ook behouden. Er is veel concurrentie en IOs willen ook naar goedkopere plekken. Bovendien speelt de distributieve factor een rol (Internationale Organisaties moeten eerlijk verdeeld worden over de wereld).

M: Klinkt leuk! Ben je al iets wijzer geworden over de strategieën van steden om grote instellingen aan te trekken? Kun je een tipje van de sluier lichten?

R: Ja, er moet goed samengewerkt worden om een IO aan te kunnen trekken. Een goede lobbystructuur vanuit de stad is belangrijk. Ook is het van belang om hetzelfde verhaal te hebben bij belangrijke factoren voor IOs als de organisaties zelf. Zo vinden mensen bij internationale organisaties vaak ‘gastvrijheid’, ‘flexibele en internationale kinderopvang’ of ‘goede medische zorg’ heel belangrijk en daar moeten beleidsmakers oog voor hebben. En het is belangrijk dat er geld voor wordt vrijgemaakt om de klus te klaren. Vaak moet dat uit allerlei ‘potjes’ komen die er niet zijn. Daarom moeten beleidsmakers goed kunnen lobbyen. Niet alleen intern (vaak door Buitenlandse Zaken bij andere ministeries) maar ook met andere landen. Er is veel koehandel in het binnenhalen van IOs.

M: Hoe reageren mensen als je vertelt over jouw onderzoek?

R: Vaak vinden mensen de concurrerende steden interessant. Beleidsnetwerken lijken mensen saai te vinden (dat heeft voornamelijk te maken dat de eerste associatie bij ‘beleid’ in mijn ogen ‘bureaucratie’ is). Ook stuit ik op kritiek van mijn omgeving, omdat sommigen denken dat ik het alleen maar goed vind dat er steeds meer IOs in een stad komen. Los van wat ik daarvan vind (vaak doen VN-instellingen goede dingen) gaat mijn onderzoek daar niet over.

 

Wat is een buitenpromovendus?

Buitenpromovendi doen over het algemeen onderzoek in hun eigen, vrije tijd. Ten minste de helft van de bij de Nederlandse universiteiten bekend staande promovendi zijn buitenpromovendus. Zij hebben geen betaalde aanstelling aan de universiteit. Vaak doen zij het werk als onderzoeker zodoende naast een andere baan (zie ook ScienceGuide).

Een buitenpromovendus is iemand die een andere vaste baan heeft (of met pensioen is) en die ervoor kiest om daarnaast te werken aan een proefschrift. Soms in haar of zijn vrije tijd, maar soms ook op een beurs, zoals Rosa een beurs kreeg van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Mensen die aan de slag gaan als buitenpromovendus zijn meestal wat ouder en kiezen daarvoor omdat ze zo dieper in kunnen gaan op het vakgebied waar hij/zij in werkt of gewerkt heeft, of omdat het onderzoeksonderwerp een buitengewone interesse heeft gewekt naast bestaand werk.

Het gaat over welke mechanismes er ten grondslag liggen aan het binnenhalen van IOs. De lobby, het samenwerken, beleidsdoelen die met elkaar overeen moeten komen. Internationale Organisaties die zelf een machtspositie hebben in een stad en gastland. Wat hun positie is en hoe zij die inzetten. Wat is de macht van Internationale Organisaties, hoe gaan overheden hiermee om?

M: Onderzoek doen is leuk, maar ook vaak lastig. Wat vind je lastig aan onderzoek doen? Op welke momenten wil je het liefst opgeven?

R: Statistiek. Ik heb geschiedenis gestudeerd en daar heb ik nooit statistiek geleerd. Als ik een beleidsnetwerk met een ander, kleiner kernnetwerk moet vergelijken in SPSS dan lig ik daar wel wakker van. Het liefst maak ik er een verhaal van, met voorbeelden, anekdotes, gebaseerd op feiten en gekleurd met meningen en verhalen (daar komt toch mijn studie journalistiek om de hoek kijken). Maar dat is dan meestal niet wetenschappelijk genoeg.

M: Waarom ben je zo enthousiast over wetenschap en het vakgebied van de bestuurskunde?

R: Ik vind wetenschap leuk omdat je veel vrijheid hebt, veel kan schrijven en werken aan het beter begrijpen van de wereld om je heen.

Mijn vakgebied (bestuurskunde, geschiedenis) vind ik leuk omdat de wisselwerking tussen internationale organisaties en landen waar ze verblijven fascinerend is. Ze zijn te gast, tegelijkertijd hebben ze de macht en moet het land ze met alle egards behandelen. De positie van Internationale Organisaties is daardoor speciaal. Enerzijds hebben ze een vinger in de pap omdat zij kunnen aangeven wat ze nodig hebben en dat vaak krijgen van hun gastland. Het gastland moet daar wel aan toegeven, maar er zijn ook grenzen.

Soms gaan IOs te ver in hun vragen, als het gastland daar niet aan toegeeft staat de internationale reputatie op het spel, want IOs kunnen zo weer vertrekken. Steden willen graag IOs aantrekken omdat dat economisch voordelig is, maar ook omdat het goed is voor de naam en bekendheid van een stad. Het is een wisselwerking waar veel diplomatiek, netheid, regeldruk en ongemakken bij komen kijken. Erg ongemakkelijk is bijvoorbeeld de discussie over parkeerbonnetjes van diplomaten. Als zij foutparkeren kunnen sommigen van hen, vanwege hun immuniteit, niet op de bon geslingerd worden. Dat is erg onhandig en zet bij lokale mensen kwaad bloed. Tegelijk is deze wereld verborgen voor de mensen op straat.

M: Jij bent dus buitenpromovendus. Waarom ben je deze promotie gaan doen naast je werk als docent?

R: Het ministerie van OCW heeft de aanname dat gepromoveerde docenten (nog) meer inspiratie kunnen geven aan studenten. Daarom hebben ze een promotiebeurs voor leraren (van primair onderwijs tot hbo) opgezet. Nadat ik via mijn studie geschiedenis in Amsterdam en deels in Spanje en journalistiek in Rotterdam terecht was gekomen op De Haagse Hogeschool vond ik daar Joris Voorhoeve. Hij was daar lector Internationale Vrede, Recht en Veiligheid. Daarnaast is hij hoogleraar in Leiden en via gesprekken met hem werd ik steeds enthousiaster over het idee van een promotieonderzoek als docent. Dus zo is het balletje gaan rollen.

M: Merk je een verschil tussen werken op het HBO en onderzoek doen in het WO?

R: Er is een groot verschil. HBO is veel praktischer dan WO. Studenten van het HBO zijn minder gek op lezen en minder wetenschappelijk ingesteld. Als het niet praktisch genoeg is haken veel studenten af. Veel concepten moeten daardoor met voorbeelden worden uitgelegd. Ook is het niveau van lezen en schrijven (Nederlands en Engels) lager dan bij het WO.

M: Je bent dus grotendeels docent. Hoe zorg jij er voor dat je een goede docent bent?

Bij het HBO werken we veel met externe partners en daar krijg ik veel energie van. We hebben projecten met de Provincie Zuid-Holland, bedrijven die met de overheid samenwerken zoals WiGo4it en NCOD en gemeente Den Haag. Het is leuk om studenten in aanraking te brengen met politiek en beleid. Ik vind het inspirerend om met studenten de stad in te gaan, naar het Vragenuurtje van de Tweede Kamer en naar het Binnenhof voor een rondleiding. Ook nodig ik vaak sprekers uit, het liefst oud-studenten die bij de overheid zijn gaan werken. Vaak zijn onze studenten in de veronderstelling dat het saai is bij een publieke organisatie te werken, dan is het leuk ze het ongelijk te bewijzen! Om lessen boeiend te maken, zorg ik voor online quizzen, opdrachten zoals in groepjes pitchen of denk- en leesopdrachten met elkaar. Ik geloof erg in actief zijn in de les waarbij studenten zelf aan de slag moeten, zelf ervaren en daarvan leren.




Reacties

Sinds we niet meer in de stad wonen maar in een Noord-Hollands dorp, is de Kermis een deel van ons voorjaar geworden. Je kunt er – ook als verdwaalde ex-stedeling – niet omheen.

 

De Kermis is een fenomeen in Noord-Holland. Wie in een dorp woont, kijkt het hele jaar uit naar de Kermis. Deze bestaat voor kinderen uit spelletjes, pannenkoeken en de zweefmolen, voor anderen uit bier drinken, bijpraten en voor weer anderen hossen op muziek in het dorpscafé. Maar ook: Oudhollands koeschijten (wie raadt de plek waar de koe op het veld haar behoefte zal doen?), hoefijzerwerpen, de oldtimeroptocht met alle oude tractors en auto’s uit de omgeving en het kampioenschap Zeismaaien. 

We zijn geen stedeling meer, maar dorpeling. We zijn geen trendsetters, maar -volgers. Een groeiend deel van de jonge gezinnen trekt weg uit de steden, al jaren. Wij behoren tot de veertig procent van de stellen die binnen vier jaar na de geboorte van het eerste kind Amsterdam heeft verruild voor een rustiger oord. Uit Den Haag vertrekt 27% van de jonge gezinnen. 

Dit weekend was voor ons de tweede Kermis. De kinderen openden de Kermis op vrijdag per versierde fiets, de volgende ochtend volgden de Kinderspelen en pannenkoeken op het veld. De pannenkoekenbakker zei tegen een medekermisganger: ‘ik werd wakker op de bank vanmorgen, het voelde niet of ik geslapen had’. De ander: ‘ik zou logeren bij vrienden, maar omdat hun telefoon uit stond ben ik maar in een tentje voor de deur gaan slapen.’ De kroeg was tot vier uur ’s nachts stampvol geweest en dat was nog maar nacht één. 

Meestal gebeurt er niets in dit dorp en gaat iedereen zijn eigen gang, maar met de Kermis is dit echt anders. Na een korte tweede nacht (voor de meesten) kwam om negen uur een bus met grote luidsprekers langs. ‘WAKKER WORDEN WAKKER WORDEN WAKKER WORDEN’ klonk het zo luid, dat doorslapen inderdaad geen optie was. 

Daarna begon de oldtimeroptocht waar ook wij met onze oude auto's aan meededen. Iedereen langs de kant van de weg zwaaide en de bestuurders kregen spekjes en biertjes aangereikt. Op het grote veld was vervolgens de BBQ, een poffertjeskraam en de taartenbakwedstrijd. Het springkussen werd weer opgeblazen. Na wat praten, foto’s schieten, zweven in de zweefmolen en draaien in de draaimolen op de middagkermis was het voor ons wel weer genoeg. Voldaan zijn we naar huis gegaan, terwijl achter ons bij het dorpscafé de Kermis aanzwol op weg naar zijn laatste hoogtepunt. 

  

 

Reacties

Onze zoon is vierenhalf, hij zit op zwemles. Hij wil wel zijn A en B halen, maar niet zijn C. Dat weet hij nu al. Maar we leren een leven lang. 

Op de hogeschool weten we: competenties moet je blijven verzamelen. Niet alleen als student is dit belangrijk, maar ook docenten blijven zich scholen. Voor mijn onderzoek haalde ik eerder dit jaar ‘Open interviewing and Data analysis’ en ‘Research Integrity’, de komende week sluit ik de cursus ‘Planning & Managing your PhD’ af. Voor het docentschap heb ik net mijn Senior Kwalificatie Examinering (SKE) behaald.

Besef

De Basis Kwalificatie Examinering (BKE) is verplicht, de SKE kan je als docent daarna volgen. Het idee achter deze twee cursussen is mooi: doordat we allemaal een cursus in toetsing volgen, zullen we de toetsen doordachter maken, eerder aanleveren, beter laten aansluiten op de lesstof en meer besef hebben van het belang van toetsen. Bovendien gaan we met de tijd mee.

Trends in toetsing

Een paar trends in toetsing zijn: meer individuele toetsen (in plaats van groepswerk) en meer opbouwend tijdens de lesperiodes, zodat het voor studenten aantrekkelijker wordt om constant met de lesstof bezig te zijn. Het is de bedoeling van dit systeem om het aantal herkansers te verminderen en liefst helemaal tot nul terug te brengen. Studenten halen voortaan de toetsen in één keer: dat is de ideale wereld. Toetsbekwame docenten maken beter lerende studenten, die daardoor nog beter aan hun competenties kunnen werken.

Crux

De crux van de BKE en SKE is volgens mij de dialoog die ontstaat tussen collega’s, vaak hogeschoolbreed, over het belang van goede toetsen. Als we er intensief mee bezig zijn, dan wordt de kwaliteit ook beter. Zo is het idee. En zo verzamelen we als docenten de ene competentie na de andere. We leren een leven lang.

De echte wereld

Studenten die denken dat ze straks na hun afstuderen klaar zijn met leren, komen in de ‘echte wereld’ bedrogen uit. Als zij na hun afstuderen een baan krijgen, zullen zij ook verder moeten gaan met competenties verzamelen, op hun werk en daarbuiten.

Duikbrevet

Het zal me dan ook niets verbazen als onze zoon na het behalen van zijn zwemdiploma’s A en B er anders over gaat denken. Wie weet wil hij vervolgens toch zijn C en later nog zijn duikbrevet en vaarbewijs.

 
Reacties

Al in 2015 startte ik een onderwijslog: een ‘dagboek’ met onderwijservaringen. Hiervan kan je leren als docent; het is handig om oude ervaringen te kunnen teruglezen, en erbij te pakken in nieuwe, vergelijkbare situaties.

Maart 2018. Een groepje studenten rondt na vijf maanden een project af en blijkt onderling ernstig verdeeld. Groepswerk is moeilijk, helemaal als het onderzoeksobject en de groepssamenstelling niet zelf zijn gekozen. Bij dit project lopen de meningsverschillen hoog op.  In de groep van vijf studenten is het ‘jongens tegen de meisjes’ geworden; op de dag van de deadline schieten verwijten over en weer over tafel. De aanvoerder van de groep is woedend op twee andere groepsleden en ook op ons. Gelukkig ben ik niet alleen, er zijn er twee begeleiders per klas voor de projectgroepen; we proberen de dialoog tussen de studenten gaande te houden. De stem van het hoofd van de groep breekt: ‘Maar mevrouw, u moet dit begrijpen! Zij hebben niets gedaan en ík wil een voldoende halen!” Die halen ze niet. De opdracht is niet naar behoren uitgevoerd.

Evaluatie

April 2018. De groep gaat voor de herkansing. Bij de evaluatieles blijkt dat de ene helft van het groepje wel wat ingeleverd heeft en de andere niet. Ze weten niet van elkaar wat ze hebben gedaan. We accepteren van de andere helft op dezelfde dag ook nog een groepsrapport. Het groepsproces is al met al een grote mislukking, maar de resultaten zijn een krappe voldoende waard. Het positieve is dat de studenten van dit hele avontuur wel een boel hebben geleerd en dat ook laten weten. Achteraf, als pardoes meerdere versies naar de opdrachtgever zijn gemaild, krijgen we een bericht van het stilste meisje van de groep: ‘Opmerkzaamheid, initiatief tonen en de leiding (op tijd) nemen zijn mijn leerpunten geweest en deze pas ik maar meteen toe!’
Waarschijnlijk heeft dit groepje met alle strubbelingen meer geleerd dan de groepjes die in één keer een voldoende haalden.

Groepslessen

Wat was mijn les uit deze groepscrisis, met mij als deel van het team procesbegeleiders? Probeer, door te helpen met een actieplan, wekelijkse terugkoppeling, en bewaking van het nakomen van afspraken, conflicten in een groep te voorkomen. Ontstaat er toch een conflict, laat het er dan zijn. Stel studenten vooral de vraag achteraf: hoe zou je het volgende keer anders doen? Wat heb je hiervan geleerd? Ik denk dat – hoe moeilijk ook – de studenten het meeste leren als het een keer goed misgaat.

Reacties

Soms schiet een goedbedoelde vraag in het verkeerde keelgat. 

Ik heb een druk leven. De afgelopen week is mij vijf keer in twee dagen gevraagd op mijn werk: ‘Hoe doe je dat toch, een gezin, een promotietraject en een onderwijsaanstelling?’ Deze vraag schoot bij mij in het verkeerde keelgat. De eerste keer antwoordde ik: ‘Tja, ik doe er gewoon wat langer over’. De tweede keer probeerde ik wat anders: ‘Ja, het is inderdaad best veel’. De derde keer merkte ik dat de vraag mij in een negatieve spiraal bracht en zei ik: ‘Ja, ik moet ook nog ver reizen van werk naar huis’. Geen enkel antwoord gaf voldoening.

Bijbedoelingen

Ik begon me af te vragen wat mensen precies verwachten als antwoord op deze vraag. Zijn ze op zoek naar negatief nieuws? Willen zij horen dat het ‘inderdaad ondoenlijk is’? Of zijn ze gewoon oprecht geïnteresseerd en hebben ze er geen weet van dat ze de zoveelste zijn met die vraag? Bedoelen ze met deze vraag eigenlijk: ‘Ben je wel een goede moeder?’ En vooral: zouden mensen die vraag ook stellen aan mijn mannencollega’s die in dezelfde situatie zitten? Aha. Dat zit me dwars.


Verdediging

Afgezien van de bedoelingen en verwachtingen van collega’s die me zo’n vraag stellen, is het interessant waarom die vraag bij mij iets negatiefs oproept. Ik voel me aangevallen, raak gespannen terwijl ik dat eigenlijk niet ben, heb de behoefte om in de verdediging te schieten. Ik wil een bord op mijn hoofd plakken met ‘geen zorgen’, ‘het gaat best’, of ‘sorry, geen tijd’.


Drukke mannencollega’s

De beste oplossing is misschien een standaard antwoord bedenken waar ik me beter door voel: ‘Nou, fulltime onderwijs geven lijkt me veel zwaarder’ (dat denk ik echt), of ‘gaat prima, hoe hou jij het eigenlijk vol?’ (lekker de bal terugkaatsen). Misschien moeten we dit soort vragen wat vaker aan onze drukke mannencollega’s stellen. Die krijgen deze vraag bijna nooit en verdienen ook wel eens wat goedbedoelde overbezorgdheid.





Reacties

Beroepsdeformatie

Sinds ik aan mijn proefschrift over competitieve steden en internationale organisaties schrijf, lijkt het wel of ik alleen nog maar met drie perspectieven naar de wereld kan kijken. Als ik me niet aan die perspectieven vasthoud, ben ik verloren.

De drie ‘lenzen’ waarmee ik tegenwoordig naar de wereld kijk, hebben beslag op mijn denken gelegd. Het zijn de volgende gezichtspunten: institutioneel, instrumenteel en interactief. Niet alleen in mijn eigen onderzoek snijden deze perspectieven hout, maar ik gebruik ze ook om naar de organisatie van De Haagse Hogeschool te kijken.

Perspectieven

De institutionele lens is gericht op de normen en gedrag van besluitvormers. Hebben zij gezamenlijke gedragsnormen, bekijken zij beleidsprocessen op dezelfde manier, dan is hun kans van slagen hoger. Dat is althans mijn hypothese. De tweede lens is instrumenteel: wordt beleid goed geïmplementeerd, zijn er zo min mogelijk klachten, hoe zijn de beleidsstrategieën (hogeschoolbreed, van faculteiten, opleidingen) op elkaar afgestemd? De derde is de interactieve lens en gaat over het samenwerken, communiceren en ook het politieke spel. Zijn de belangrijkste spelers op De Haagse goed in de lobby die ze uitvoeren? Is de hogeschoolraad constructief bezig, of juist niet? Het is echt zo, die perspectieven geven houvast.

Analyse

Door De Haagse door deze drie lenzen te bekijken, krijg ik een beter beeld van hoe onze instelling succesvol is of misschien op sommige punten wat minder. Stel, het eerste perspectief is wel goed op orde, de besluitvormers hebben dezelfde ideeën over wat belangrijk is, maar het tweede perspectief niet, het beleid wordt niet goed geïmplementeerd, dan werkt het al niet. Ook is het derde perspectief van belang: de interactie tussen beslissers, de communicatie en samenwerking. Als die niet optimaal is en de andere twee perspectieven werken wel, dan is de organisatie alsnog niet zo succesvol als zij kan zijn.

Diep

Als je verschrikkelijk verdiept in zo’n onderzoeksmethode, dreigt natuurlijk altijd tunnelvisie. Of in dit geval een drievoudige tunnel. Maar ik ben blij met deze lenzen en beveel ze aan iedereen aan die perspectief zoekt.

Reacties

Terugblikkend op de eerste week van het nieuwe jaar heb ik alweer een paar dingen geleerd. Ten eerste lopen de meeste goede voornemens al binnen een week in de soep (beter niet doen dus). Ten tweede: we kunnen meer doen voor anderen.

Met mijn eerste goede voornemen, naar de bus fietsen, ging ik meteen al de mist in. Dit kwam doordat het de eerste dag van het jaar zó hard woei, zó koud was en zó donker en laat op de terugweg. Ineens snapte ik weer waarom ik bijna altijd met de auto naar de bus ging. Dit bleek meer een voornemen voor de lente.

Niet de bedoeling

Dan het tweede: elke dag opschrijven waarvoor ik dankbaar ben. Ik heb in een eerder blog beschreven dat je daar gelukkig van wordt. Dat is een vergissing. Ik hield het twee dagen vol. Iedere avond iets opschrijven, het voelde als een plicht, nog iets moeten, en dat was ook weer niet de bedoeling.

Reflectie

Derde en vierde voornemen: opschrijven wat ik heb geleerd van studenten. Ik wil graag na iedere les reflecteren op mijn les, over wat studenten mij bijbrachten en over mijn eigen successen en mislukkingen. Dat betekent feedback vragen aan studenten en na elke les een korte reflectie schrijven. Dat laatste is er niet van gekomen. Feedback vragen heb ik wel gedaan, maar niemand reageerde erop, dus waarschijnlijk was ik niet expliciet genoeg. Wat ik heb geleerd van studenten? Misschien wat ik al wist: interactief lesgeven werkt. Ze vinden het fijn om zelf aan de slag te gaan en quizjes te doen op hun telefoon of laptop.

Goed gelukt

Het vijfde voornemen dan: lessen van collega’s bijwonen. Dat is de eerste twee dagen goed gelukt! Ik heb twee lessen van anderen bijgewoond, één les van mij is bezocht door een collega. Na afloop schreven we een verslag voor elkaar. Bij het checken van de komende weken voor nog meer van dat goeds, strandde ik in volle agenda’s en bleken roosters niet te combineren met elkaar. Dat wordt ook doorgeschoven naar het voorjaar.

Zegeningen tellen

Ik had beter moeten weten: het is algemeen bekend dat voornemens al binnen de kortste keren stranden. Het gaat vaak om gedragsverandering, het werkt pas als je echt iets aan je leven wilt verbeteren. En eigenlijk ben ik al best blij met de gewoontes in mijn dagelijks leven en tel ik vaak mijn zegeningen. Ik heb een leuke baan, een lief gezin en een huis in een rustig dorp midden in de natuur.

Doneren

Vele anderen hebben het slechter of bevinden zich zelfs in een uitzichtloze situatie, zoals de groep Wij zijn hier, een groep ‘papierlozen’ die niet mogen blijven in Nederland maar ook nergens anders welkom zijn. Ik voel met ze mee en doneer daarom af en toe kleding of geld. Wil je je leven beteren, doe dan iets voor anderen, bijvoorbeeld voor deze groep. Dit is een oproep om meer goed te doen en minder te navelstaren. Kom uit je luie stoel biedt een luisterend oor of breng eens eten, kleren of drinken naar mensen die dit nodig hebben: zwervers, buren, asielzoekers of een studerende statushouder.

Reacties

Als je kleine kinderen hebt, en je je in de openbare ruimte begeeft, krijg je plots hulp aangeboden, anekdotes te horen en ongevraagde adviezen. Je bent met je kleintjes publiek bezit geworden.

In een roman van Sandro Veronesi klaagde een vrouw, dat ze geen positieve aandacht meer kreeg uit haar omgeving sinds haar kinderen vier waren geworden. Ze miste de aanspraak, de aandacht van onbekenden en de glimlach die kleine kinderen op de een of andere manier bij iedereen op het gezicht toverden.


Weg uit de anonimiteit

Als ik met mijn kinderen over straat loop, benaderen onbekenden me steevast met een glimlach, dit komt vaak doordat kinderen ongegeneerd mensen aanstaren. Zelfs als ik ze niet bij me hebt, maar wel een teken van hun afwezigheid meetors (een fietsstoeltje, autostoeltjes etc.) krijg ik meevoelende blikken, een glimlach, een blijk van verwantschap van andere ouders. Hier moest ik in het begin aan wennen. Vrijwillig of niet: ik was weg uit de anonimiteit, ik was ineens van iedereen.


Pannenkoek

Vorige maand zat ik met de jongste van anderhalf in de bus. Op de heenweg kregen we vriendelijke blikken, een zakdoek (ze knoeide nogal met een mandarijn) en een verhaal toen ze bijna op de stopknop drukte.  Het verhaal ging over een Amsterdamse tramchauffeur die toeristen uitschold voor “pannenkoek”- en later pancake – omdat ze aan de noodrem trokken waardoor de tram woest stil kwam te staan. Een grappig verhaal dat ik zonder mijn kleine nooit gehoord zou hebben.


Bemoeizucht

Op de terugweg adviseerde een bemoeizuchtige vrouw mij dat ik beter bij het raam kon zitten, wat ik negeerde, terwijl een man opkeek van een spelletje op zijn telefoon om met de kleine te brabbelen. Van beide passagiers weet ik nu hoe oud hun kinderen zijn en wanneer je (volgens de mevrouw) wel en niet de oudste kunt laten oppassen op de jongste terwijl je van huis bent. Informatie die mij het gevoel geeft ergens deel van uit te maken. Ik hoor erbij.


Zonder zitjes

Onze oudste is nu vier. Dit is het begin van het einde van alle positieve aandacht, als ik Veronesi moet geloven. Ergens bekruipt mij een beklemmend gevoel, anticipeer ik op ontwenningsverschijnselen, omdat straks de onbekenden me anders gaan benaderen. Op mijn fiets in Den Haag, zonder zitjes, kan ik alvast wennen aan dit gevoel. En op andere plekken waar ik met de kleintjes ben, ga ik nog even flink genieten van alle bemoeizucht. Want we doen het blijkbaar niet alleen, ons nageslacht rijp maken voor het echte leven. Door kinderen ben je nooit alleen.

 
 





Reacties

Amsterdam heeft goed gelobbyd; op 20 november is het fel begeerde EMA daar binnengehaald. Hoe verliep de finale?

Allereerst zijn er drie blokken ontstaan tijdens de lobby voor het Europees Medicijnen Agentschap EMA. Het Oost-Europese blok schaarde zich achter de Slowaakse hoofdstad Bratislava. Een Zuid-Europese lobby ontstond voor Milaan (die stemmen ontving van Griekenland, Malta, Roemenië en Cyprus). Daarom leek het moeilijk voor Amsterdam, met als grote concurrent Kopenhagen, om steun te verzamelen.

Wouter Bos reisde onvermoeibaar Europa rond om bijvoorbeeld Oost-Europese landen te beloven in de toekomst belangrijke medische kennis te delen in ruil voor hun stem op Amsterdam. Doordat Malta op het laatste moment afhaakte en daarop volgend ook Kroatië en Ierland, waren er nog maar zestien landen in de race op 20 november 2017. Spannend, want deze landen stemden wel mee, maar hun zes stemmen in de eerste ronde gingen niet meer naar hun eigen stad.

In de tweede stemronde bleven Milaan met 25 stemmen, en Kopenhagen en Amsterdam met elk 20 stemmen over. Bratislava (15 stemmen) en Barcelona (12 stemmen) vielen net buiten de top drie. In de volgende ronde kwamen vervolgens Milaan (12 stemmen) en Amsterdam (9 stemmen). In de laatste ronde werd het pas echt spannend: gelijkspel. Beide steden kregen 13 stemmen, één van de EU-landen heeft zich onthouden van stemming. Er zijn lootjes getrokken. Amsterdam kwam als winnaar uit de bus. De troostprijs, het Europese Banken Agentschap EBA, ging naar Parijs. Dit tot groot verdriet van Frankfurt en Duitsland, die op dit moment toch al in zwaar weer zitten met hun electorale strubbelingen.

Ruim tachtig procent van het EMA-personeel heeft aangegeven naar Amsterdam te willen verhuizen. Het tijdpad is strak: op 30 maart 2019 moet de transitie voltooid zijn. De grote uitdaging van nu is het gebouw op tijd optrekken op de Zuid-As en de Internationale en Europese scholen uitbreiden, voordat er zo'n 300 kinderen bij komen.

 
 
Reacties

We doen ons best om bedrijven aan De Haagse te binden, maar dat kan nog beter.

Op 3 november was ik te gast op de Captains’ Conference in WTC Den Haag, een tweedaags congres over het versterken van Den Haag als ‘global talent hub’. Hoe maak je van deze stad een talentenbroedplaats? Er waren inspirerende sprekers, validatiesessies en ‘escalator pitches’: jonge professionals die met de roltrap omhoog en weer omlaag gingen tijdens hun korte praatje. Er is veel gesproken over de samenwerkingen in de stad, maar ook in de regio en over hoe Den Haag internationaal versterkt kan worden.

Trots

Ik voelde me vereerd dat ook ik op het podium iets mocht zeggen over wat Den Haag kan leren van andere steden en hoe kennis in de stad kan helpen om Internationale Organisaties aan te trekken. De Haagse Hogeschool speelt daarin een belangrijke rol. We doen het goed, sinds september weten we dat wij – wederom – de beste hogeschool van de Randstad zijn en daar ben ik best wel trots op.

Schamen

En toch. Er kwam de eerste avond van de Captains’ Conference een meneer naar me toe van Jacobs Engineering Group. Hij vertelde mij dat hij met bijna alle technische opleidingen in de regio samenwerkt, behalve met die van De Haagse. Hij vertelde mij en twee studenten Bedrijfskunde die mee waren, dat hij ‘zich schaamde’, omdat hij niet eens het hoofd van onze technische opleiding kent. Het maakte hem niets uit, voor ons tien anderen, maar ik vond het pijnlijk. Deze man kende wel veel goede docenten aan onze hogeschool, maar vond dat het CvB hierin het voortouw zou moeten nemen.

Signaal

Het signaal zette mij aan het denken. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort geluiden hoor uit het werkveld. Enerzijds zijn we heel actief, individuele docenten doen hun best, ook het Team Externe Relaties van OKC dat vanuit één punt externe contacten onderhoudt, doet het goed. Maar is het niet de taak van directeuren, bestuurders en opleidingsmanagers om bedrijven naar binnen te halen en daar contacten mee te onderhouden? Is het niet zo dat, juist als je met invloedrijke, grote spelers wilt samenwerken, je dan de grote jongens moet sturen: directeuren, CEO’s en hogere managementlagen? Zou niet iedere opleiding verplicht een grote speler kunnen binnenhalen? Ik denk het wel.

We doen het goed, zeker, maar het kan natuurlijk altijd beter. Laten we de bedrijven uit de regio nog meer aan ons verbinden, het liefst zó, dat grote spelers niet om De Haagse heen kunnen.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl